Is de Engelbewaarder mijn naaste?

In het Evangelie van Lucas vertelt Jezus de parabel van de barmhartige Samaritaan als antwoord op de vraag van de wetgeleerde: “Wie is mijn naaste?” (Lc 10,29). Op basis van deze vraag kunnen we ons afvragen: zouden de Heilige Engelen ook die “naaste” kunnen zijn die we moeten liefhebben en helpen?
Om deze vraag te beantwoorden, stelt Sint-Augustinus, de Doctor van de Genade, in zijn werk Christelijke Leer dat Jezus met de parabel van de barmhartige Samaritaan wilde leren dat “onze naaste iedereen is aan wie we barmhartigheid moeten betonen als hij in nood is, of aan wie we barmhartigheid zouden moeten betonen als hij in nood was”.
Bovendien merkt Augustinus op dat het woord ‘naaste’ een relationele term is, dat wil zeggen dat het wederkerigheid impliceert: degene die helpt, wordt een naaste van degene die geholpen wordt, en degene die geholpen wordt, wordt een naaste van degene die hem helpt. De heilige concludeert:
“Hieruit volgt dat ook degene van wie wij wederkerig deze daad van barmhartigheid verwachten, onze naaste is.”
In de parabel van de barmhartige Samaritaan zijn wij allemaal de door de zonde verwonde man, afstammelingen van Adam. Jezus is de barmhartige Samaritaan, maar bij Hem zijn ook alle Heilige Engelen, want “de Engelen omringen Christus, hun Heer. Zij dienen Hem in het bijzonder bij de vervulling van zijn verlossingsmissie ten aanzien van de mensen.”
Sint-Thomas van Aquino leert ons nog: “Ad omnia bona nostra cooperantur angeli — de Engelen werken mee aan al ons welzijn.”
De naaste is volgens Jezus zowel degene die de daad van barmhartigheid verricht als degene die deze ontvangt. De Heilige Engelen zijn dus werkelijk onze naasten, omdat zij met Christus samenwerken aan onze redding en ons de nodige genade brengen volgens de wil van God.
Zo schrijft Sint-Augustinus:
“Als we nu zowel degene aan wie we barmhartige daden moeten verrichten als degene van wie we die ontvangen onze naaste noemen, dan is het duidelijk dat ook de Heilige Engelen zijn inbegrepen in het gebod dat ons opdraagt onze naaste lief te hebben.”
Het gebod van naastenliefde beperkt zich dus niet alleen tot andere mensen, maar strekt zich ook uit tot Engelen, omdat zij ons bijstaan in al onze noden. Dit geldt in het bijzonder voor de Heilige Engelbewaarder, die ons vanaf het begin van ons leven tot aan onze dood begeleidt om ons naar het eeuwige leven te leiden.
Hoe kunnen we onze naaste, onze Heilige Engelbewaarder, liefhebben?
Onze Engelbewaarder staat ons voortdurend bij en leidt ons naar de eenheid met God in dit leven en, ten volle, in de eeuwigheid. We houden van hem wanneer we hem toestaan ons in elke omstandigheid te leiden, te vermanen en te onderwijzen.
Moeder Gabriele leert ons: “Hoe armer we worden uit liefde voor God, hoe meer de Engelen ons zullen leiden naar de rijkdom die God zelf is.”
De Engel liefhebben betekent dus ook jezelf arm laten worden in zijn handen, dat wil zeggen jezelf als behoeftig erkennen. Volledig behoeftig worden betekent als een kind worden: arm, klein en puur.
Er is nog een andere manier om onze naasten lief te hebben: voorbede doen voor de Heilige Engelbewaarders van de mensen om ons heen. Ieder mens – familie, vrienden, collega’s – heeft een persoonlijke Engel gekregen. Deze Engelen hebben onze gebeden hard nodig, niet voor zichzelf, maar voor degenen die aan hen zijn toevertrouwd.
In een Kruisweg van het Werk van de Heilige Engelen staat te lezen:
“De Heilige Engelbewaarder doet een beroep op de Engel van de moeder, de vader, de familie, de natuur, de Engel van de straat, de Engel van de kerk en de school, opdat de juiste kennis van God wordt overgedragen aan het kind [aan zijn beschermeling].”
Dit betekent dat als we openstaan, we concreet kunnen samenwerken met de Heilige Engelbewaarders van degenen om ons heen, terwijl we ons tegelijkertijd laten leiden door onze eigen Engel. Zo blijven we standvastig in het geloof en in de eenheid met God, en helpen we ook onze naasten om in deze gemeenschap binnen te treden.